Over het lief en leed
van een Baarlese
Bejaarden bonder
1
3!
a
f
I
Si®
||l
4g|
I
i
"Ons Weekblad"-vrijdag 18 april 1980
-
Het Gouden Paar
in 1980
tende Duitsers, door wie hij ”Zoll-Inspektor”
werd genoemd. Ik zeg ’’Duitsers”; Vorsten-
De Douane-Chef in aktie
Rotterdam 1967
vervolg op pag. hiernaast.
-
Ofschoon Vorstenbosch een hand uitstak of
een goed woord deed waar de gelegenheid zich
presenteerde, zijn gewone sociale aktiviteiten
verrichtte hij in georganiseerd verband. Voor
de gevangenen en ex-gevangenen was hij in
Rotterdam gedurende 14 jaren sekretaris van
de Reklassering.
Voor moeilijke gezinnen was hij, zo ook zijn
vrouw, in Amsterdam aktief lid van de R.K.
Vereniging Vezorgers. In Venlo had hij toe
zicht over probleemkinderen. In Rotterdam
was hij aangesloten bij de Gezinsvoogdijvere-
niging Sint Raymundus, d.w.z. dat hij voor
tdurend optrad als gezinsvoogd.
Toen hij in Amsterdam aan de Middenweg
Vaarwel dan Grenspalen, Grensstations, I
Lucht- en Zeehavens, kantoren en kohieren!
Een carrière werd afgesloten, die goed was ge- I
weest voor de ontplooiing van een persoonlijk-
heid, maar ook voor de vulling van ’s Lands I
schatkist en dus van ons aller beurs...
VAN GEVANGENIS TOT SOOS
De persoonlijkheid van Frans Vorstenbosch I
zat niet gevangen in het ambtelijke. Hij was te I
veelzijdig om zich tot die sfeer te beperken. I
Zijn geestesinstelling was te breed en zijn Ge- I
loof te diep om na zijn diensturen thuis de pan- I
toffels in te schieten en dan maar te wachten
op de volgende dag.
Was zijn bijdrage tot 's Lands welzijn een indi-
rekte, hij had ook behoefte het zijne bij te dra
gen tot het totale welzijn van de mensen, in di-
rekt kontakt met hen. En steeds belangeloos.
Dat dit sociale aspekt van zijn loopbaan niet
ophield bij zijn pensionering, blijkt uit de rol
die hij speelt, nu gedurende ruim elf jaren, bij
de opbouw en de uitgroei van de Baarlese Be-
jaardenbond.
Maar het was veel eerder begonnen. Behalve i
met mede-bejaarden is Frans Vorstenbosch
eerder in zijn ’’vrije tijd” opgetrokken met
verwaarloosde kinderen, met landlopers, met
gevangenen, met wat hij noemt ”de kneuzen
van de maatschappij.”
In Rotterdam zat ik geregeld in de gevangenis
aan de Noordsingel. Iedere zondag na de Mis
was het even thuis ontbijten en dan naar de ge-
vangenen. Ik was daar kind aan huis, kreeg de I
sleutels en kroop bij die mannen in hun cellen. I
Geen rotlui, maar arme kerels. Ik leefde met I
hen mee; er was nu iemand die ze niet in de
goot trapte. Nu nog heb ik kontakten met I
moordenaars en andere gereclasseerden.Ook I
in de Koepel van Breda ben ik nu en dan ge- I
weest.”
EEN GOUDEN PAAR
Hem ziet iedere Baarlenaar dikwijls op zijn
fietske dor Baarle peddelen, bij tij en ontij:
Frans Vorstenbosch. Waar komt hij vandaan
en waar gaat hij naartoe?
Haar zien maar weinig Baarlenaren. Nu en dan
op de trottoirs, met hem onder de arm: Marie
Louise de Potter. Vanwaar is zij hier terechtge
komen en waar wandelen die twee naartoe?
Zijn het 65-plussers, 75-plussers?
Ik wist alleen nog maar dat zij aanstaande don
derdag 24 april, in de derde week na Pasen,
hun gouden bruiloft zouden vieren, nadat ze
een halve eeuw eerder getrouwd waren, op 24
april 1930, donderdag in de eerste paasweek...
Wat is er gebeurd tussen die twee
’’mijlpalen”?
Om meer te weten te komen, ben ik ze onder
druk gaan zetten, in hun huis aan de Willem
Alexanderstraat 8, waar ze nu al bijna twaalf
jaar wonen.
Er moest toch iemand, namens de buurt, iets in
de krant schrijven over hem, die zélf in Ons
Weekblad al zoveel Baarlenaren heeft gehul
digd bij hun jubilea.
Het bleek niet nodig, nauwkeurig geformuleer
de vragen te stellen. Een half woord was tel
kens voldoende om in lange verhalen de ’’mé
moires” los te krijgen.
We blijken te maken te hebben met ’n veelzij
dig en veelbewogen leven.
Frans Vorstenbosch heeft een ambtelijke loop
baan van ruim 40 jaar achter de rug; maar ook
’n carrière als werker in diverse sektoren van
het sociale leven. Dit laatste werk zet hij voort
tot op vandaag, in de sektor Bejaardenzorg.
Hij was ook huisvader, zij huismoeder, in ’n
gezin met vier kinderen. Tenslotte: het echt
paar nam, door alles heen, aktief deel aan het
kerkelijk leven, als geïnspireerde lidmaten van
de katholieke kerk. Of liever: zij beleefden het
sociale en familiale leven als uiting van hun
christen-zijn.
TUSSEN DE GRENSPALEN
Toen Frans Vorstenbosch zich per 1 oktober
1968 definitief in Baarle-nassau vestigde, was
hij hier al vijf en dertig jaar eerder werkzaam
en woonachtig geweest (aanvankelijk op de
Singel). Teruggekeerd schreef hij dat z’n
vrouw en hij er zich thuis voelden, ”de bossen
in de nabijheid, de grens rondom ons heen”.
Die grens had hem gemaakt. Tussen de
grenspalen is hij zijn ambtelijke loopbaan be
gonnen. De lezer moet weten dat Vorstenbosch
belastingambtenaar was: niet zo’n bureauman
die aanslagen uitschrijft, maar ’n veldwerker,
later ’n bureauwerker, die moest toezien dat de
mensen zich hielden aan de voorschriften in za
ke de invoer- en uitvoerrechten: hij was bij de
Douane, de Dienst van Invoerrechten en Ac
cijnzen. Dat is een onderdeel van het totale
Belasting-apparaat.
In de Douanedienst heeft hij, dankzij zijn
plichtsbesef en zijn voortdurende studie, alle
rangen doorlopen, van ’’hulpkommies der
tweede klasse” tot ’’Hoofdverifikateur-
Controleur”. In deze topfunktie was hij baas
over 562 ambtenaren, door wie hij ook als
’’chef” werd aangesproken.
Maar hij startte als veldwerker tussen de
grenspalen. Na opgegroeid te zijn in het Bra
bantse Haaren bij Oisterwijk en na wat voor
studie, werd de 22-jarige Frans aangesteld als
kommies en gestuurd naar Zeeuws-
Vlaanderen, achtereenvolgens naar Hulst
(1926), Koewacht en Sas van Gent.
Koewacht is een Palendorp: de Rijksgrens
loopt er dwars door de straten. Je hebt
Koewacht-Noord of Hollandse Koewacht, en de eerste oorlogsjaren te maken met de bezet-
Koewacht-Zuid of Belgische Koewacht. Een J
smokkelgat, bijna zo erg als Baarle.
In die grensstreek leefde Vorstenbosch zich uit
als jager op smokkelaars. Hij was daartoe
voorzien van ’n knots van ’n revolver, maar uit
z’n mond heb ik niet gehoord dat hij ooit op
zo’n boosdoener geschoten heeft. Hij was er
trouwens absoluut niet in geoefend...
Hij deed de zaken liever op wat vriendelijker
wijze af. Eens heeft hij daar met ’n collega een
schijnbaar argeloze wandelaar aangehouden,
op verdenking van botersmokkel. De man ont
kende heftig, maar de komiezen namen hem
mee naar hun plantongebouwtje. Daar zetten
ze zijn stoel pal bij de kachel en stookten deze
extra op. Er werd wat gebabbeld, maar al gauw
verschenen er hier en daar natte plekken op ’s
mans kleding, en tenslotte droop de boter uit
z’n broekspijpen op de grond. Kommies
Vorstenbosch vond dat ’t daarmèe welletjes
was en stuurde de smokkelaar weer de beem
den in...
Zoiets typeert deze man. Hij heeft er altijd van
gehouden met ’n ernstig en oprecht gezicht
grappen te organiseren, vooral op 1 april.
Ook toen hij later op Schiphol en in Rotterdam
een hogere rang bekleedde heeft hij ’t niet kun
nen laten. Hij zorgde er dan voor, op diverse
centrale posten handlangers te hebben, zodat
een grap dagenlang kon worden volgehouden.
Tot in 1980 hebben we er hem op betrapt: in
zijn ’’Lief en Leed van de Baarlese B.V.B.”
(Ons Weekblad, 28 maart) schreef hij zoals ge
bruikelijk over jarigen, zieken en overledenen.
Maar midden tussen deze hoogst ernstige on
derwerpen smokkelde hij een uitvoerig bericht
over aardgasbellen die in de Baarlese bodem
ontdekt waren en waaruit heel het dorp van
goedkoop ’’baalgas” zou kunnen worden
voorzien. Je hoefde ’’dinsdag a.s.” (dat was 1
april, maar wie denkt daar aan?) maar naar het
gemeentehuis te gaan om volledig te worden
ingelicht in een speciale folder.
Terug naar Koewacht. Daar tussen de Palen
hield de Brabantse kommies nog iemand an
ders aan dan de botersmokkelaar. Maar dat
komt verderop.
Van de Palen 288-293 onder Koewacht wipte
hij, via Stampersgat, over naar het Zeeuws-
vlaamse Sas van Gent; dat was weer hogerop,
naar de Palen 308 tot 319. Maar na bijna zes
jaren grensdienst in Zeeland werd de douanier
’’bevorderd” tot...Paal 1 in Vaals. Drie jaar
later, op 1 april 1933, streek hij neer in ’n Bra
bants dorp, precies gelegen tussen de welbe
kende Palen 214 en 215: een grensdorp in de
sterkste zin van ’t woord, waar de grenzen
bestaan uit de contouren van 29 grillige puz-
zelstukken....
OP GRENSSTATIONS EN IN HAVENS
Baarle-Nassau betekende ook de promotie
naar ’n groot grensstation, met z’n ruime kan
toren, z’n weidse visitatiezaal, z’n onmetelijke
douaneloods.
Het zou maar anderhalf jaar duren, want op 1
oktober 1934 werd Vorstenbosch naar Rotter
dam geroepen: de bazen wilden hem laten
opleiden tot ’’verifikateur der invoerrechten en
accijnzen”, dat wil zeggen tot ’’ambtenaar die
de echtheid moet onderzoeken, inz. van decla
raties voor belastingen”, zegt van Dale. Voor
de nu ruim dertigjarige werd dat wéér cursus
lopen, studeren, examens doen, bijna drie jaar
lang.
Daarna kwam de overplaatsing naar zeehavens
en naar de luchthaven Schiphol.
Het begon in juli 1937 met Hansweert, een be
langrijke haven aan de Westerschelde. Dat
werd een periode van ’n jaar of zes. Vorsten
bosch was er ’’chef van dienst” en kreeg er in
bosch praat nu nog over ”die Moffen” en over
”die rotkop van Hitler”, wiens portret in het
Duitse kwartier hing. Eerst weigerde hij daar
z’n dienstpet af te zetten voor dit portret: ”Ein
Soldat setzt seine Mütze nicht ab”; maar bij
een later bezoek, in 1943, liet hij zich ontval
len: ”Der Krieg ist für Sie verloren...” De
Ortskommandant, een officier uit Berlijn,
stoof woedend op achter zijn bureau: ”Ik
dacht dat ie op m’n nek sprong”, vertelt
Vorstenbosch.
Hij werd op de bon geslingerd, d.w.z. op de
lijst van ’’Deutschfeindlichen”. De zaak werd
gerapporteerd aan het Departement van finan
ciën, waar de top-NSB-er Rost van Tonningen
als sekretaris-generaal fungeerde. Deze eiste
”een zo onaangenaam mogelijke overplaat
sing”. Het werd een verbanning naar de meest
noordelijke haven, Den Helder, met woon
plaats in Alkmaar.
Voordat hij uit Hansweert vertrok was hij er
nog getuige van dat de Duitse commandant
door ’n kogel uit een Engels jachtvliegtuig do
delijk getroffen werd. En toen Vorstenbosch al
enige tijd in Den Helder opereerde, maakte op
9 juni 1945 Rost van Tonningen een dodelijke
val uit de bovenverdieping van de Schevening-
se gevangenis...
Feitelijk werd Den Helder voor Frans Vorsten
bosch de springplank naar de luchthaven
Schiphol, als verifikateur (1947-1950). Dat
werd inwerken in allerhande nieuwe voor
schriften en richtlijnen. Hij moest er ook ’n
nieuw diploma bij halen: textielwarenkennis,
het verschil leren in kwaliteit en prijs van hon
derden stoffen.
Zo kon het gebeuren dat de verifikateur bij de
controle van een arriverende vliegtuigpassagier
een kwantum Engelse textiel in beslag moest
laten nemen. Daags daarna rinkelde op Schip
hol de telefoon vanuit paleis Soestdijk. Een
vloekend lid van het koninklijk huis was aan
de lijn voor Vorstenbosch... De kostbare stof
fen bleken voor hem bestemd te zijn...
Na de luchthaven kwam nog het hoofd
grensstation Venlo (1950-1954): alweer werd
dit de aanloop voor ’n sprong, de laatste: naar
’s werelds grootste zeehaven Rotterdam. Ho
ger kon het niet voor ’n douanier. Hij werd er
Hoofdverifikateur, en tien jaar later
Hoofdverifikateur-Controleur. Tussendoor
had de nu 54-jarige weer ’ns een ander diploma
gehaald: ’’Spreken in het openbaar”. Dat was
wel nodig om zijn honderden ondergeschikten
te kunnen toespreken.
Op 1 augustus 1966 was het veertig jaar gele
den dat de jonge douanier aantrad tussen de
grenspalen van Zeeuws-Vlaanderen en optrad
tegen de kleine smokkelaars. Dit jubileum
werd grootscheeps gevierd in het centraal be-
lastinggebouw aan de Rotterdamse Punte-
gaalstraat. Kort tevoren was hij vanuit Soest
dijk koninklijk onderscheiden als ’’Ridder
in de Órde van Oranje-Nassau”. Die vervloek
te douanier werd nu geridderd.
Maar kort daarop was het 65 jaar geleden dat
Frans Vorstenbosch geboren werd, op 20 sep
tember 1968: pensioen. Er kwam een persoon
lijke dankbetuiging van de toen zittende
Staatssekretaris van Financiën... een verre op
volger van Rost van Tonningen. Er kwam al
weer ’n grootscheepse receptie, ditmaal ten af
scheid.
Frans Vorstenbosch dook onder, daar waar hij
34 jaar eerder tussen de twee beroemde
grenspalen zat: in Baarle-Nassau. Het afscheid
deed even pijn, schreef hij toen vanuit dit
dorp. ”Maar dan lonkte in het verschiet hét
mooie nieuwe huis in een rustig Brabants dorp,
de bossen in de nabijheid, de grens rondom
ons heen. Vlak bij ons huis enkele Belgische
huizen, daarachter weer wat Hollandse, dat is
hier wat vreemd...”
-
t
Het jonge echtpaar bij Grenspaal Tin Vaals (1931)
éi^-.