Emiel de Jong ONZE FEUILLETON Wij leveren U e. VAN DRAANENg |ge: EVEN LACHEN GEDACHTEN. a El El 0 De Dronkaard* Huis- en Decoratieschilders van ranselt hij Op het zelfde oogenblik begon het klei- Pieter Zielkens van vermoeienis uitge put en der wanhoop nabij, stond uit te rusten tegen de leuning eener brug, die de beide rivieroevers verbond. Door allen verlaten man blikte met welgevallen neer op de schuimende golfjes die elkander rusteloos verder joegen. Hij richte het hoofd even.op en liet zijn blik gaan over de tot nieuw leven gewek te opfleurende weiden; zijn oog bleef rus tig staren op het heerlijke bos, dat gins in de verte zich verhief. ja, zoo zei hijIk moet eerstnaarhuis... zij kunnen toch zeker wel geld gebruiken. Toen toog hij verder, en de rivier en de blauwe hemel schenen hem bij dit besluit vriendelijk en bemoedigend toe te lachen. Reeds een uur later bereikte hij het bos, maar bleef opnieuw staan, geleund tegen een zwaren boom. Het lopen had hem zeer vermoeid, want twee volle ja- ren had hij gezeten, en in al die tijd had hij geen bos gezien geen vrije lucht inge ademd. Tweejaar! Volle twee jaar opgesloten te zijn, niemand, die zulk lot niet trof, be grijpt wat dat zeggen wil. Pieter bracht de hand aan het voorhoofd de boschlucht maakte hem half duizelig, hem die vroeger bijna dagelijks in de bos sen omdoolde, tot den noodlottige dag toe, dat hij den opzichter de hersens in sloeg. Die opzichter! Hij moet wel een sche del van staal hebben gehad, anders was hij wel morsdood geweest; hij overleefde echter de aanranding en zat un zelf ook achter slot en grendel. Wat had hem de directeur der gevan genis ook straks gezegd? Pieter, je vroegere opzichter is waar achtig toch wel een echte schurk geweest die en zijn meester en zijn ondergeschik ten bedroog. Maar niemand mag toch de hand tegen zijn medemensch opheffen; het leven van onze naaste moet ons im mer heilig zijn. Dat staat toch vast, niet waar Pieter? Kom aan ik heb een goede tijding voor je: het laatste jaar van je straf tijd zal je kwijt gescholden worden, maar zorg er dan ook voor dat je deze gunst waard zijt. Tracht weer eenbraaf mensch te worden en vermijd toch vooral den drank, den vervloekten jenever! Jenever! Hij kende er de smaak niet meer van, die was hij al lang vergeten, zoo goed als hij reeds vergeten was hoe het er in het bosch uitzag. Als hij nu maar niet uaar huis moest! Eest heeft hij ei zoo hard naar verlangd, en nu hij huiswaarts keeren mag, schrikt hij er voor terug, hij durtf niet.... Hij moet dan opnieuw voor het gerecht komen en wel voor het gerecht van de zijnen. Met kouden, beschuldigden blik Hij keek hem benauwd aan en schudde het hoofd: ik ben bang voor vader. En.... wat zou er moeder wel zeggen? Ik weet het niet... daar spreekt moeder nooit over. Het gaat haar nu goed. Dan zal ik maar vertrekken... Hier... neem dezen buidel, daar is geld in en sluit hem goed weg in de kast... en zeg aan moeder, dat zij er voor jou wat van moet koopen, en zeg haar... dat ik... haar laat groeten. Dag Anneke, dag lief kind, toe geef me een handje! Het kind angstig kijkend, legde zijn mollig knuistje in vaders hand. Toen ging hij haastig heen... heb je gedaan? En zelfs het heele dorp zal hem voor de rechstschaar dagen en honderdmaal zal de aanklacht herhaald worden, zijn schuldig zijn worden uitgesproken, ver teld, vergroot en van mond tot mond gaan maar een verdediger zijner zaak zal niet voor hem opdagen. Gratie verleend. Een jaar kwijt geschol den! Hij lachte dat het stille woud er van weerqalmde, Ja, thuiskomen is goed en wel maar dan moet men geen eergevoel meer hebben, anders is zoo’n gang naar huis een gang naar de strafplaats. Het innigste verlangde hij naar zijn kind, de kleine Anna, die altijd zijn lieve ling was geweest, haar te zien was zijn hartewens, dit kind dat hij nooit gestraft of geslagen had zou zeker ook niet bang voor hem zijn. Het zal nu al een jaar of zes zijn, en al wel naar school gaan. Hoe lief en aan vallig moet er dat knappe ding er wel uit zien als ze de schooltas om, het huis ver laat! Ja, zij zal stellig wel blij zijn.... dat is vast en zeker! als in den zomer en wierp haar laatste stralen over het huisje waaromhaen hya cinten en gele narcissen in hare prach tigste kleuren schitterden. Vredig, stil en gelukkig lag daar de woning als een lente droom. ik hier blijf? Pieter bewoog zich niet, maar zocht steun op zijn stok, terwijl dikke tranen hem van de wangen rolden. Ja, daar. dat was zijn woning, zijn tehuis. Als een dief sloop hij dichter bij, en ging toen het tuindeurtje in en tuurde door het venster. Een diepe zucht ontsnapte aan benauw de borst en deed hem ruimer ademhalen. Ja, ze woonden daar nog wel; de oude meubeltjes er nog, en de jongen, Koen- raad, speelde met een klein meisje. Dat was zeker het nieuwe kind. De man stond even stil en trad toen het huis binnen al zijn krachten bijeen rapend om toch kalm en bedaard te schijnen. Goeden dag, zei hij met bevenden stem is moeder ook thuis? Neen, moeder is naar de kerk, ’t Is mor gen Paschen, wat wilt ge? De jongen kende hem niet meer. Twee jaar is een heelen tijd, en vroeger had Pieter een baard en lange krullen haren. Maar wat wilt ge toch? hernam de knaap tegen den man, die daar met een suf ge zicht en zulke vreemde manieren voor hem stond. Ik.... ik wou waar eens. vragen, hoe of jullie het allemaal maakt. De jongen stond verbluft te kijken. Hoe wij het maken? Het gaat ons heel best! Maar zeg eens.... gij hebt toch geen broodwinner, geen vader meer, wel? De knaap keek strak voor zich uit. Wij hebben geen vader nodig! We kun nen hem best missen. Maar zou je dan niet willen, dat hij hier weer terugkwam? De kleine keek onthutst, schudde het hoofd en zei: Neen, het gaat ons zonder i hem stellig beter. Dan verdrinkt hij niet Kom Koenraad, maak je niet ongerust, roep niet zoo luid om hulp, ik doe je toch niets, wees bedaard, ik ga al! Kijk maar, ik heb de klink van de deur al vast. Houd nu alsjeblieft op met huilen en schreeu wen, ik wou je slechts een enkelen keer even zien. De knaap hield op met hulp te roepen, en een hoek tegen den muur staan, zonder een woord te spieken. Koenraad, waaraan is kleine Anna ge- storven? Aan diphteritus! Net veertien dagen en vier en alles wat moeder verdient en ons ook niet af. De vreemde man hield zich met moei te staande hij greep zich vast een de kast en bekeek den knaap met starren blik, en na eenige aarzeling vroeg hij: Je zusje, i Anna, die zal toch wel in haar schik zijn i als zij weereen vader had, zou ’t niet? zullen zij hem aanstaren en vragen; wat j Waar is zij> 1 ne kind luidkeels te huilen. Wees maar stil Anneke! Zeg Anneke zou je wel blij zijn met een vader? Heele- i maal niet, wel? Pieter keek het kind met groote ver baasde oogen in het gelaar, Dat kind.... dat is toch de kleine Anna niet? Die moet toch al veel grooter zijn! Ja die andere, Maar die is dood. En toen is juist het nieuwe kind gekomen, en moeder heeft het ook Anna laten do- pen! Dood? Is Anna dood? O, God! Anneke dood! Mijn God! Mijn God! En de sterke man huilde als een wanho pige. Ook het kind begon toen opnieuw te schreien en de knaap keek angstig in het rond en sloeg een zenuwachtigen blik op den bedroefden man. Maar toen ging hem ineens een licht op; hij begon hem te herkennen, en riep met een van angst en ontroering trillende stem: Ja gij... gij zijt vader wel, ik ben bang van je, ik ril van angst... ga toch weg, hulp, hulp. i El r Haar heeft hij nooit iets kwaads gedaan neen nooit. Zij zal van büjdschp springen als vader thuis komt.... Maar de jongen hij niet, want die heeft zooveel slaag van hem gekregen; die zal nu al tien jaar zijn. En dan moest er nog een derde kind zijn. Zou dat een jongen of meisje wezen? j En hoe of het heeten zou? maar trok zijn zusje met zich mede In deze gedachten verzonken stapte hij ging pal in stevig voort, en voor hij er aan dacht stond hij bijna voor zijne woning, slechts eenige schreden er van verwijderd. Het was op Zaterdag van de Goede Week en het liep al tegen den avond. nadat vader was heengegaan, De Aprilzon was zoo warm geweest weken later kwam het nieuwe zusje, dat heet ook weer Anna. Hebben jullie altijd genoeg te eten gehad. Ja, genoeg. Wil je nu volstrekt niet, Koenraad, dat i EJ i m 1 zoo ’t is mijn en n Ma Schrijfblocs, Luxe schrijfpapier, Enveloppen, Mappen schrijfpapier, Rekeningenblocs, Kwitantieblocs, Kantoorboeken, Kasboeken, Cahiers, Notitieg;oed, Closetpapier, Vulpeninkten, Teekeninkten, Schrijf inkten, Stempelinksen, Stempels, enz. enz. o Het recht van den sterkste is het sterkste onrecht —o Die voor anderen altijd met goeden raad klaar staat, is in eigen ongelegenheid veelal radeloos. o Op den weg van het voornemen tot de daad is menige mens in een dwerg veranderd. o— De duivel komt altijd op de bruiloft als het hu welijk om den wille van het geld geschiedt. Een goed geweten is het bewijs van een goed leven en tegelijk het loon daarvan. o— De bloemen, die we in onze jeugd ontmoeten, geuren nog voor ons als wij oud van dagen zijn. o Een edel mensch denkt edel, ook over het slechte. Hij had zwaar gedineerd en nog zwaarder ge dronken en kwam tegen de morgen thuis. Het was hem gelukt geruischloos de deur te openen, maar langs de salon gaande struikelde hij Mevrouw: Mina, hebben we nog iets voor het middagmaal noodig? Mina: Een nieuw eetservies mevrouw. Ik ben namelijk vanmorgen over de mat gestruikeld. Dokter: Maak u niet ongerust Mevrouw! Van tijd tot tijd 'n bad nemen, veel in de open lucht en u niet te zwaar kleden. Man Nu, Dora wat heeft de dokter gezegd? Zij: Ten eerste moet ik zo gauw mogelijk naar een badplaats, vervolgens naar een andere lucht streek, en mij onmiddelijk eenige nieuwe, licht mogelijke, costumes aanschaffen. hoorde zijn vrouw aankomen. De salon binnen gaan een boek pakken uit de boekenkast en gaan zitten lezen was het werk van een oogenblik. Dag man wat doe je hier zoo laat! 0,1- lieve ik 1 - lees 'n boek.... Nou sla het dambord maar toe en kom naar bed. Bevelen zich beleefd aan voor het schilderen van alle soorten Hout- prijzen, spiegelglas. Glas in Lood en O Henry, wet zie jij er van avond mal uit! Ja schat ik probeer mijn snor ie laaten groeien En ik ben erg benieuwd walke kleur hij zal heb ben als hij er eenmaal is. Wel, zei zij, terwijl ze nauwkeurig zijn boven lip bekeek, als ik de snelheid in rekening neem, waarmee je snor groeit, dan zou ik zeggen: grijs. Een milicein gaat met zijn liefje aan den arm langs den weg hij ontmoet zijn sergeant die re gelrecht op hem aankomt. Heel eerbiedig stelt hij nu zijn meisje vooraan zijn superieur, terwijl hij ’t militair saluut brengt: Sergeaut, mijne zuster! Jawel, was het antwoord, ik ken ze zuster ook geweest! i El mernaboctsing, tegen de scherpst concurreerende Vraagt prijs voor het plaatsen van enkel, dubbel en i 0 Koper naar elke teekening, vorm en stijl. Imitatie-Glas in Lood. Net, doch goedkoop wenk. Een jonge journalist was uitgenodigd om voor het eerst een vliegtocht mee te maken. Hij voelde zich heel gewichtig, maar ook een beetje bezorgd, en die gevoelens namen toe toen hem een parachute werd omgehangen onder de nodige aanwijzingen voor het gebruik. De piloot droeg eveneens een parachute maar toen hij daarover een diKke leren jas aantrok, vroeg de reporter zenuwachtigHoe kunt u nu die parachute ge bruiken met 'n jas er over aan? O, antwoordde de piloot nochalant, ik heb plenty tijd om mijn jas uit te trekken als we soms vallen. Ze waren enkele minuten iu de lucht toen het warm begon te worden en de piloot maakte aan- stalte om zijn jas uit te trekken. Warmpjes, vindt u niet? vroeg hij losweg, maar hij kreeg geen antwoord. De passagier was al overboord gesprongen.

Kranten Regionaal Archief Tilburg

Baarle-Nassau - Baarl’s Nieuws en Advertentieblad | 1941 | | pagina 4